Een kleine zinsverduistering

01Feb09

dscf7580

Essays over gedichten, over het hoe en waarom en waar naartoe van de poëzie, kunnen me eerlijk gezegd niet veel bommen. Meestal bestaan ze uit niet meer dan een nauwelijks verhulde zelfverheerlijking van de auteur ervan, propageren ze een veel te kleine categorie of liggen ze zo academisch ver van het gedicht, dat de enige gezonde reactie die van de geeuw is.

Na ons optreden op gedichtendag 2009 kregen we als poëtische attentie “Pizza Peperkoek & andere geheimen” van de hand van Luuk Gruwez. Bij het lezen ervan werd m’n vooringenomenheid al snel omgeturnd tot een quasi-automatisch ja-geknik. Lucky Luuk charmeert. Al vanuit het citaat van E.M. Cioran, waarmee het essay opent, voel je een zuidelijke warme wind opsteken. Er moet iets gezegd worden in poëzie. Er mag al eens naar de strot gegrepen worden.

De dichter verleidt: “Iedere dichter is eropuit bemind of gehaat te worden. Maar doorgaans toch het eerste.” Helaas lijkt de kunst van het verleiden of zelfs de kunst van het slaan zoek geraakt. Volgens mij ligt de oorzaak daarvan in een soort ongeschreven doctrine van het goeie gedicht, waar veel dichters zich door laten vangen. Het is het middelmatige gedicht dat in literatuurtijdschriften de bladzijden vult. Ellenlange ellende: “Ligt de teloorgang van de menselijke appreciatie voor een dichter misschien aan die laatste zelf? In een recente brief van Gerrit Komrij aan Hafid Bouazza in de Standaard der Letteren schrijft eerstegenoemde: ‘Eén ding is zeker: er zijn op het ogenblik te veel dichters en ze hebben bij elkaar nog niet één memorabele zin opgeleverd. ’t Is een grijs groepje met een brij van uitwisselbare regels. (…) Een dichter moet memorabel zijn. Gedichten die dansen, verkillen, vleien, beledigen, inpeperen, ontploffen en zich al zuur in je bijten, daar heb je wat aan. De scheurkalender heeft honger, de volksmond heeft honger, het citatenboek heeft honger en de dichter levert niet. Dichters (…) moesten niet zo verdomd veel op elkaar willen lijken.’ ” Een waarheid als een koe, loeiend telkens als ik een poëziekrant opensla of als ik eens een effort doe om een voorleesavond bij te wonen. Maar kom, dat ligt misschien aan mij. Misschien lees ik de verkeerde tijdschriften, zie ik de minder goeie voorstellingen… Er zijn uiteraard de uitzonderingen, die de macht hebben een dag te doen opfleuren. Meestal hebben die uitzonderingen een gemeenschappelijk element: “verbeelding”, de stem van een dagdroom, die authentiek uit het rode woestijnzand als een oase opwelt.

Met ongetwijfeld in het achterhoofd de ganse Ilya Leonard heksenjacht tegen de vervlakking van de poëzie in haar performende variant, kiest Luuk het midden in de discussie over podiumpoëzie versus bladpoëzie. Een gedicht is niet af als het enkel op het blad bestaat. Het mag gelezen, herlezen, maar ook voorgelezen worden. Dit hoeft niet noodzakelijk afbreuk te doen aan de poëzie. Hij verwittigt tegen gedichten met “een grote mate van toegankelijkheid en/of spektakelwaarde“, maar geeft toe dat sommige gedichten het nu eenmaal beter doen op het podium. Ik hou van dergelijke conclusies, waarbij de extremen verzoend worden. Ik droom van hermetische gedichten die luidop voorgelezen worden, waarbij het bijzondere effect van het aloude orakel de goden (abstracties of personificaties van lust, liefde, dood, handel, … en hoe ze onderling kletsen en billenkletsen) dichterbij brengt.

In het fragment (omdat ik het graag verder uitgewerkt zag) “Een rare hobby: dichten” werd ik geraakt door een vraag die me niet onbekend voorkomt: “De vraag is alleen wie in deze tijd de stem van de dichter nog hoort? Of algemener: wie hoort óns nog? Het is alsof wij meer en meer babbelen en hoegenaamd niets meer te zeggen hebben. (…) De overvloed aan communicatiemiddelen zorgt voor een vervluchtiging van de communicatie. Ieder zijn blog, maar onze opinies worden met hetzelfde gemak als waarmee wij ze verworven hebben, ook weer vergeten. Ze worden verspild en verstrooid over de eindeloze akkers van Cyberspace.”

Waarom dit me raakte? Het venijnig gebroed is zo’n clubje dat de communicatie hoofdzakelijk via blogs voert. We zijn in 1997 begonnen als een militerair collectief. We wilden ons afzetten tegen de poëzie die we als vervelend ervoeren, indertijd dat nieuw-realistisch gedoe, waarbij schrale observaties centraal leken te staan. We wilden (met uitzondering van Frederik Lucien De Laere) onze poëzie niet laten lezen, maar laten voelen. Geen bundels of publicaties in literaire tijdschriften. Via het podium konden we meer mensen bereiken dan via de kleine oplage van een bundel. We wilden een “labo van constante vernieuwing” zijn. Gedichten laten verdwijnen nadat ze voorgelezen waren. Telkens onszelf heruitvinden. Op onze bek durven gaan.

Die strategie heeft er toe geleid dat we de nobele onbekenden zijn, die we vandaag zijn, maar heeft ons als collectief ook sterk gemaakt. We doen waar we goesting in hebben. We voelen het zwaard van de literaire maatstaf niet boven ons hoofd hangen. We zijn vrij in onze gedichten. We ontroeren en vangen lachsalvo’s op. We voelen vaak de stilte snijden.

Ik hou van mijn venijnige gebroeders. Die me vaker ontroeren en verrassen dan welke gehypte bundel ook.

Maar – ay, there’s the rub – we doen het niet enkel voor elkaar. We houden een blog bij naar de buitenwereld. We willen strelen en slaan, maar ook gestreeld en geslagen worden, hoewel uiteraard liever dat eerste. Onze blog heeft ons al wat performances opgeleverd, maar “literair” worden we er niet van. Kritiek (hetzij opbouwend of abrekend) krijgen we zelden of nooit. We zijn de spoken in de literaire machine.

Er is een magere troost: “Al weet zij haar naam en faam onbesproken te houden, de poëzie komt het best tot wasdom, zo niet in het centrum, dan toch in de periferie van de criminaliteit.”

De vraag van de poëzie in de periferie gaat echter over haar bestaansrecht. Is zij wel de moeite waard? De grens tussen waarde en waardeloos is er flinterdun. Want er is geen rechter die haar berecht. Of durft te berechten. Zij lijkt gewoonweg vergeten te worden. En ja, er is zelfs een vergeten van dat vergeten.

Van niets gaat zoveel dreiging uit als van stilte.” Er is gelukkig het plezier, het genot. Van de rebel. Van de herrieschopper. Van het spook in de machine. Zonder dat plezier werd er gezwegen in de rand.

http://picasaweb.google.be/ingrid.dobbelaere/VenijnigGebroedScharpoordKnokke29Januari2009?feat=directlink



No Responses Yet to “Een kleine zinsverduistering”

  1. Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers op de volgende wijze: